Gaume late summer pt. 2

Maandagochtend, dat moet voor veel mensen het ergste moment van de week zijn.

Maar niet voor mij, ik stap uit de tent en maak me klaar voor een toertje dwars-door-de-Gaume.
Deze keer wel iets zwaarder geladen dan gisteren én wederom met een fantastisch plan.
Ik zal de trein in Marbehan nemen en één overstap uitsparen (met fietstassen en fiets overstappen is niet zo fijn) in Libramont.
Een RaVel, de vlakte van de Semois en vooral heel veel bos zijn de sleutelwoorden voor vandaag.

Maar eerst een ontbijt scoren en dan een plekje zoeken omdat ontbijt te nuttigen.
In Ethe kocht ik zowat de beste koffiekoeken van 2015 en langs de RaVel vond ik een ideaal picknicktafeltje om aan te sterken.

Met een zo’n 9 km lang fietspad dat dwars door de Gaumese bossen loopt en de vele typische planten en dieren die deze bossengordel herbergt, zijn er wellicht slechtere vooruitzichten.

Ik passeer onder andere langs een actieve dassenburcht die zich vlak naast de RaVel bevindt en de enige menselijke activiteiten die ik tijdens het fietsen hoor zijn de verre kettingzagen van de bosbouwers.

Wanneer ik het oud stationsgebouw van Buzenol passeer is dit het moment om even van het fietspad af te gaan en in de richting het dorpje te rijden.
Langs deze baan staat nog een ruïne en in het bos kan je een karstbron terugvinden.
Een karstbron, cron in het frans, is een bron waar een ondergrondse rivier aan de oppervlakte komt.
Kenmerkend aan zo’n bron is dat deze zeer kalkrijk water bevat en dat is natuurlijk terug interessant voor allerhande planten en dieren.
Leuk aan deze karstbron is dat deze zich nog eens op een helling bevindt en er hierdoor eigenlijk een vrij uniek biotoop is ontstaan.
In deze tijd van het jaar is de piek van libellen en planten natuurlijk net voorbij, maar wanneer je hier in het voorjaar of de vroege zomer langskomt ben je hier wel even zoet.
Buzenol zelf bezoek ik niet, dat staat niet op de planning.

Via waarnemingen.be leerde ik dat in deze omgeving boswalstro stond, een plant waarvan ik het bestaan tot voor kort enkel uit de flora kende. En aangezien deze walstro nog bloeide, het moment om er naar op zoek te gaan.
Op basis een bepaalde waarneming ga ik op zoek en na een uurtje zoeken vind ik helaas de plant niet meteen terug.
Een ijsvogeltje vliegt langs en dan beslis ik om toch maar af te druipen richting het fietspad en verder te fietsen..

Of toch niet? Tijdens het terug om hoog fietsen in de richting van het fietspad zie ik een forse bloeiende walstro in de berm staan. Na determinatie met behulp van de Belgische flora blijkt dit toch wel zeker boswalstro te zijn! Een mooie waarneming en wat later zie ik nog enkele planten staan terwijl ik mijn route verder zet.

Maar het bosfietsen is aan le Croix Rouge uiteindelijk helaas voorbij en vanaf daar zet ik mijn route verder richting Marbehan.
Uit de bossen rij ik richting Sainte-Marie-sur-Semois.
o.a. de Semois, De Rulles en de Mellier zijn drie rivieren die hier mee het landschap bepalen.
Daarnaast zijn het vanaf nu de kleine landschapselementen die het hem zullen moeten doen.
Het is een open landschap vol hagen, rivieren, beekjes en af en toe een bosje, iets volledig anders de omgeving van Lamorteau en Virton, maar daarom niet minder mooi.

In de buurt van Villers-sur-Semois zie ik onderweg nog een ree wegvluchten en wanneer ik naar de overkant van de straat kijk sta ik even versteld van een weide die roze oogt van herfsttijlloos, een fantastisch beeld.

Na de Rulles en de Mellier overgestoken te hebben stop ik nog even langs de weg aan een oude appelboom.
Tijd om nog wat appeltjes te plukken en dan richting station te fietsen.

En voor ik het weet zit weeral op de trein, het zit er helaas weeral op.

Tijd om terug te keren naar Gent en even binnen te blijven..

maar wordt ongetwijfeld vervolgd!

klaas

Gaume late summer pt. 1

Terugblikken is ook nagenieten, zo blijkt na het schrijven deze post.
Het weekendje is zo goed blijven hangen, dat ik het maar opgesplitst heb in 2 posts.

Na een schoon heet (33°C en meer) verlof in de Lorraine en omstreken, een fantastische ontmoeting met dassen, gastvrije belgen en dan weer terug aan de slag..
We waren intussen alweer een maand verder. De nood aan buitenlucht was nooit zo groot, de afkeer van computerschermen en bureaustoelen groeiende.
“Een snel noodplan dan maar” dacht ik.
Zodoende raapte ik dan maar een tent, een plantengids, wat kampeerspullen en mijn camera samen en propte dit in mijn fietstassen.. het plan: na het werk zaterdagavond de trein op en treinen richting Virton!

Een treinrit richting Virton is ongeveer de langste treinrit die ik me kan voorstellen en is saai.
Maar voor mij is die rit toch telkens wat terugkeren naar waar het voor mij allemaal een beetje begon.
Maar goed, nostalgisch doen, dat kan bij een kampvuurtje met een goeie fles wijn vergezeld van oude vrienden en vriendinnen. Nu zit ik op de trein.
Het zal geen goed weer zijn, zou je wel gaan? Deze vragen heb ik me vaak genoeg gesteld, soms hoeft het weer niet mee te zitten om een momentje te hebben.
Een brood, wat spaanse kaas en groentenprut voor de op boterham, daar zal ik het toch wel even mee redden.

Enkele uren later kom ik in een nachtelijk slapend Virton, het stadje waar vele trips beginnen (en soms ook eindigen). Het is na 23:00 en er is weinig leven te bespeuren.
Tijd om naar de camping te gaan.
Tot 2 jaar terug fietste ik nog eens tot in Torgny waar ik bij boer Marx op de camping à la ferme een ideale uitvalbasis had in toch wel  één van de mooiste dorpjes van het land.
Maar in april 2014 stond ik er voor een gesloten deur: Camping definitief gesloten.
Sindsdien is de enige ”comfortabele” overnachtingswijze de camping in Virton, uitgebaat door Nederlanders en onderdeel van een grotere campingketen: Een noemenswaardig contrastje, dat wel.

Soit, zondag is er de mogelijkheid om door een herfstige Gaume te fietsen en om nog eens wat leuks te zien.

Wanneer ik ’s ochtends wakker wordt denk ik meteen aan de plannen van de dag: koffiekoeken van een echte bakker, fietsen richting Frankrijk en ’s avonds een cafétje zoeken om voetbal te kijken.
En ik vergeet er nog aan toe te voegen, ’t is allemaal strak uitgedokterd (in mijn hoofd).
Een bezoek aan lokale supermarkt (wc-papier, essentieel (!) en beleg), een babbeltje met een oude bakker over mijn fiets en ja die koffieKOEKEN van die laatste.. ik zit er meteen middenin.

En hup op de fiets, eerste halte onbekend – ik stop als ik iets zie- richting Frankrijk.
Uiteraard stop ik vrijwel meteen, want het krioelt hier van de vogels en planten die je bij  ons niet vaak of helemaal niet ziet.

Het wordt pas echt interessant wanneer ik me vanaf de kerk van Rouvroy richting de oude spoorweg, (geasfalteerd, spijtig en niet spijtig)  begeef.
Aan het begin van het fietspad in Harnoncourt staat nu plots een gigantische sporthal. De tijd is hier ook niet blijven stilstaan..
Ooit het paradijs voor de sprinkhaanliefhebber, de plaats waar ik mei- en sleedoorn uit elkaar leerde kennen en waar hechte vriendschappen ontstonden, Lamorteau.
De mensen in Lamorteau zijn zeer sportief, want telkens als ik aan het oud stationsgebouw passeer is er wel een loopwedstrijd, cross of variante.

De conditie van deze zomer werd wederom tenietgedaan door bureauwerk, dat voel ik meteen wanneer ik in Lamorteau beslis om de stijle baan langs de bossen te volgen richting Torgny. Fietsen door de vallei van de  Ton en Chiers houd ik voor een andere keer.

En dan is het zover, Torgny, het dorpje van de levensgenieters en rijke Luxemburgers.
De Mei- en sleedoorns  langs de weg staan vol vruchten en de oude boomgaardjes hangen vol appelen.
Het hoeft niet verwonderen dat dit ook wel de Belgische Lorraine genoemd wordt.
Wanneer je in Torgny bent is het natuurreservaatje Raymond Mayné sowieso een bezoekje waard en uiteraard hoop je steeds op een klepper in dit gebiedje.
Oranje steppevlinder, kleine sleedoornpage, braamparelmoervlinder,.. voor dat ze de rest van de Gaume, Luxemburg of Wallonië koloniseerden werden ze hier als eerste opgemerkt.
Maar ik maak me geen illusies, het is september, een Bretons spikkeldikkopje is waarschijnlijk de enige ‘haalbare’ zeldzame dagvlinder (en het waait zo hard dat ik deze prutsjes wel een andere keer zal moeten zoeken). De enige plaats in België waar ze zeker zitten, heb ik dan ook links laten liggen.
Intussen loop ik met flora, verrekijker en fototoestel rond en heb ik het reservaatje voor mij alleen.
Heel wat planten zijn intussen al aan het einde van hun bloeiperiode maar gelukkig zijn er enkele laatbloeiers te vinden die profiteren van het najaar.
Planten zoals duifkruid, stijve ogentroost, paardenhoefklaver, een tapijtje kruiptijm en rode ogentroost vallen meteen op, voor kalkvleugeltjesbloem, kalkbedstro, sikkelgoudscherm moet je nu al wat beter uitkijken.
Maar de echte najaarsbloeier  hier op deze kalkhelling is de franjegentiaan.
Maar blijkbaar ben ik dit jaar te vroeg, geen fotosessie deze keer.
Intussen fladderen er hier en daar nog luzernevlinders rond,  een zuidelijke luzernevlinder – een soort van kalkgraslanden – die zou mijn dag wel eens kunnen maken.
Maar determinatie is niet zo simpel zonder ze te vangen. Luzernevlinder specs, dat zullen ze dan worden.
Oranje luzernevlinders laten zich gelukkige gemakkelijker herkennen.
Na een tourtje door het gebied (dat trouwens niet zo klein is als sommige je willen doen geloven) is het weer tijd om verder te reizen.

De fiets is intussen geladen en ik vlam richting Épiez-sur-Chiers, Frankrijk, om daar een weg te volgen die me al even intrigeert: de D29 richting Allondrelle-La Malmaison: een weg omringd door weiden met bossen daarachter en daar midden in ligt ergens een ruïne (met dank aan Google Earth, mijn expeditiehulpje).

Langs deze weg valt me meteen al op dat dit een fantastische baan is om zoogdieren te spotten, de verspreide jachthutten aan de bosrand bevestigen dit ook wel een beetje.
Af en toe zie ik herfsttijlloos staan, een plant die zich in het voorjaar laat opmerken door zijn grote harde donkergroene bladeren die tegen eind augustus verdwenen zijn wanneer de bloei begint met een prachtige roze krokusachtige bloem.

Uiteindelijk kom ik aan bij de het wegje naar een Forge (waarvan ik initieel dacht dat het een fort was..)
Langs een boerderijtje kom ik bij een knappe ruïne (vol varensoorten) die uiteindelijk een oude smederij blijkt te zijn. De streek rond Longwy stond ooit bekend om zijn ijzer-industrie.

Na de obligate fotoshoot is het tijd om verder te fietsen richting Allondrelle en La Malmaison.
Bij het binnenrijden van Allondrelle heb ik het gevoel dat ik één of ander schilderij ben ingefietst:
Een pisbeekje stroomt door een weide en enkele koeien staren me van tussen de fruitbomen en het boerderijtje aan. Pittoresker kan niet.

Vanaf dit moment begin ik te dwalen, ik fiets, stop, kijk, een auto ligt in de gracht, fiets verder, passeer een verlaten  restaurant/discotheek op de grens en vlam dan maar naar beneden richting Grandcourt, België.
In mijn hoofd heb ik wederom al plannen voor een voorjaars- of latere expeditie, hier valt zeker nog meer te rapen!
En dan maar fietsen: Grandcourt, Ruette,.. ik wandelde dit voorjaar nog met mijn kameraden door dit landschap.

Aangezien het najaar is en ik goeie herinneringen heb aan de vijver van Latour beslis ik om het er nog eens op te wagen: een visarend, wespendief, grote vuurvlinder, staartblauwtje, zuidelijke keizerlibel.. het kan allemaal nog.
Maar uiteindelijk is het genen vetten en beslis ik om nog één keer gek te doen en een plaats te bezoeken waar enkele weken terug duinpiepers te zien waren.

Met het stalen ros fiets ik langs het kasteel van Latour terug naar boven – de Gaume is een paradijs voor de sadist – richting de velden. In het voorjaar zingt hier de gekraagde roodstaart, nu zingt de wind.
Een tapuitje, wat veldleeuweriken en kieviten en geen duinpiepers. Het worden de laatste (natuurstudie)wapenfeiten van de dag want het maagje begint te knorren.

Langs een wegje door de akkers rijd ik richting Ethe om zo terug naar de campingbasis terug te keren.
Onderweg vind ik een aangereden Bunzing, en deze marters zijn al zo zeldzaam in de regio..

Maar hoog tijd voor frieten, voetbal en integratie in het Virtonse nachtleven.

Aangezien mijn stamcafé met geïntegreerde frituur gesloten is, beslis ik om me over de aanwezige voetbalcafés te informeren bij de frituur aan kerk (zo hoor dat ook). Maar eerst moet ik braaf in de rij wachten en inspecteer ik intussen de aanwezige huiszwaluwnesten (hier hebben ze dat nog). Uiteindelijk blijkt het voetbalcafé om het hoekje te zijn en mag ik mijn frieten daar zelfs opeten.

De match is teleurstellend slecht, gelukkig is het bier goedkoop en uiteindelijk raak ik aan de praat met wat volgens mij de enige ‘groene’ van Virton moet zijn (zijn Teva’s had ik al even geroken).
Het blijkt een geëngageerde man te zijn die precies overal al had gewoond en en gewerkt.
Hij is momenteel werkzaam in de transitiebusiness (lokale producten bij de kruidenierszaken en lokale supermarkten krijgen) en geef met zijn kaartje.
Het verhaal klinkt fantastisch en nadat we ons laatste pintje hebben gehad is het hoog tijd om naar het tentje te gaan en na te genieten van deze boeiende dag.

Uiteraard nadat ik de roepende bosuil in het nabije bos in waarnemingen.be heb ingevoerd.

Goede nacht.

 

Vroeg in’t Voorjaar in de Viroin

Een mooie luswandeling vertrekkende vanuit Mariembourg, leidt je langs Montagne-aux-Buis, Roche à Lomme, Dourbes, de Viroin zelf, Olloy met zijn steengroeve, de spoorwegtunnel en vervolgens een toeristische spoorweg die je praktisch tot in Mariembourg terug leidt.

Zo zou ik dit tochtje omschrijven, na een 3e editie in maart.

Sinds ik er me van bewust ben dat het eigenlijk echt wel doenbaar is om een “dagje Viroin” te doen met de trein durf ik er mij wel meer aan wagen én plande ik spontaan een tripje naar deze zalige streek in La Calestienne.

Maar dat was buiten de Belgische spoorwegen gerekend. Onze vroege plannen werden al meteen gedwarsboomd door een defecte locomotief in Brugge waardoor we meteen gedoemd waren tot 2 uur kinkloppen in een station naar keuze.
Onze inventieve geesten zorgden voor een back-up-plan: Markt aan Zuidstation in Brussel op zoek naar onderbroeken (1 u) en Charleroi met koffiekoeken en sokken (1 u).
Na deze boeiende city-trips belanden we uiteindelijk in Mariembourg waar een laatste ziel ons gezelschap vergezelde.

Bevrijd van de NMBS-gesel vertrokken we wandelend door de mooie met haagkanten bedekte weilanden richting Montange-aux-Buis.
Deze ferme heuvel, bedekt met bos en rotsen leverde ons vlug gulden sleutelbloemen, voorjaarsganzeriken, maarts viooltje, wilde narcis, kiemende mannetjesorchissen, aronskelken en amandelwolfsmelk op én een “wauw-gevoel” toen een rode wouw even de show kwam stelen en er verschillende eekhoorns ons pad kruisten.

De middagpauze (met lookolijven, niet normaal) op deze rotsige heuvel leverde ons naast een fenomenaal uitzicht ook enkele grote zilverreigers, overvliegende appelvinken en een kiemende bloemknop wildemanskruid op.

Het afdalen van deze heuvel bracht ons meteen in de achtertuin van Eric Leemans, een supersympathieke man waar we al jaren steeds welkom zijn voor onze Viroin-avonturen.
Na een fotosessie van een dooie muskusrat uit een rattenval werden onze zinnen gezet op de oude spoorweg die door de Viroinvallei loopt.

Deze spoorweg is bij menig JNM’er vooral gekend om zijn spoorwegtunnel waar een treintje door rijdt in het toeristenseizoen en het steeds ‘spannend’ is wanneer je er door loopt.
Eenmaal in de tunnel aangekomen werd iedere inham gecheckt op vleermuizen, dit zijn immers goeie plaatsjes voor overwinterende/nachtende vleermuizen. Uiteindelijk werden er twee beestjes teruggevonden waarvan de identiteit nog niet bevestigd werd (later meer).

Eenmaal uit deze ‘spannende’ tunnel, bevonden we ons aan één van de mooiste paadjes die ik al bewandelde in ons landje. Parallel met de Viroin wandel je door de voorjaarsflora richting Dourbes.
Meteen werd onze aandacht getrokken door een vreemd geluid dat we uiteindelijk konden toeschrijven aan een territoriale zwarte specht.
Verder struinend langs de rivier zagen we langs het pad: muskuskruid, gele en gewone anemoon, vroege sterhyacint, bosgeelster en hoger een zee van wilde narcissen.
Nu we op het verste punt waren, begonnen we uiteraard onze eetplannen concreet te maken (friet was ongeveer het eerste woord dat hier viel, belg als we zijn).

Gedreven door de lust naar friet en Super des Fagnes trokken we helemaal stijl omhoog en daalde we vervolgens stijl(er) naar beneden. Langs het Eau Noir troffen we heel wat beversporen aan en zagen we ook nog leuke dingen zoals rosse woelmuis, paarbladig goudveil en hoorde we vermoedelijk nog een middelste bonte specht.

Eenmaal in Nismes konden we nog een superdichte ijsvogel aanschouwen in een kasteelpark vooraleer we aan ‘la Grande Bouffe’ begonnen.

Gloeiend en content belanden we in de frituur met een schoon lijstje aan waarnemingen en indrukken.

Het laatste wat we nog moesten proberen was met 10 man liftend in Mariembourg raken, en dat lukte wonderwel in 10 min. tijd!

De terugtocht verliep opnieuw dankzij NMBS zeer vlot (opnieuw een defecte locomotief) maar dat kon deze zalige dag al lang niet meer kapotmaken.

Op naar de volgende trip!

Warme herinneringen uit 2014

Ergens in oktober had ik er genoeg van.
Constant op mijn gat zitten en binnen blijven, ik voelde me half opgesloten.

Nu, ergens in oktober ’13 had ik het zelfde voor en trok ik met mijn maatje Brecht al liftend naar Bretagne.
We hadden het er (ondanks een beetje teleurstellende vogeltrip) héél goed.
Maar goed, ik wou dus een soort van editie 2.

Slecht plannend en afwachtend was mijn verlofweek daar plots en bleek ik echt geen plan te hebben. Misschien moest ik maar eens in oktober naar de Gaume gaan?

Na vlugge onderhandelingen kreeg ik mijn goeie vriend Pieter uiteindelijk zo ver om me te vervoegen op een old school weekendje (voor Pieter een dag-en-half) Gaume.
Dus op die bewust donderdag in oktober zit ik met Pieter op de trein. Weinig slaap en vervelende schoolgaande jeugd vatten de rit zo wat samen. Op weg naar Virton, startstad van menig Klaas-avontuur.

Al wandelend verplaatsen we ons richting het zuiden op weg naar Torgny. Uiteraard via een alternatieve route dwars door het bos en langs onbekende wegen.
Ergens tegen Lamorteau aan, vinden we een grotje langs een pad. Met de lamp schijnend in de duisternis treffen we een hangende hoefijzerneus uit die op het eerste zicht aan de kleine kant is. Voor de zekerheid neem ik nog enkele foto’s en zorg ik er voor dat we het dier niet teveel verstoren. Na navraag blijken we een kleine hoefijzerneus gezien te hebben, een keizeldzame soort!

DSCN0884

Avontuurlijk als Pieter en ik zijn, bostrippen we nog wat verder door “het bos van Lamorteau” en vinden we enkele leuke paadjes door dit bos.
Eenmaal uit het bos gaan we op automatische piloot naar de kalkhelling van Torgny en daarna uiteraard richting La Romanette (ons stamcafé intussen ?).

Na een obligate Orval op het terras is het tijd om wat rond te struinen in Torgny.
Wat als we één dat ene wegje inslaan en gewoon wat zoeken naar nieuwe plekjes? Uiteindelijk volgen we een wegje dat uit het dorp richting Frankrijk leidt en echt wel mooi blijkt te zijn.
quotes als ” dit zou wel een goeie kampplaats kunnen zijn”, “hier kun je wel heel schoon je tentje zetten”, verklappen zo wat een beetje dat de Jeugdbonder in ons nog zeer aanwezig is.

Uiteindelijke komen we op het idee komen om naar het meest Zuidelijke puntje van België te zoeken.
terwijl we steeds het wegje verder volgen komen we uit op een weide.
“Misschien op het einde die weide?”hoor ik ons nog zeggen..

En warempel vinden we zowaar op de grens van het perceel een geïmproviseerd monumentje dat ons het meest zuidelijke puntje van ons land toon.
Na een fotoshoot (uiteraard) en een leuke ontdekking bij verder besluiten we onze de dag met een zonsondergang en de zoektocht naar avondeten en natuurlijk een slaapplekje!

We beslissen om helemaal boven naast een monument ons tentje op te zetten en te koken.
Gezellig als we zijn, eten we ons noodles op en kruipen in warm bedje.
Het begint intussen wat te regenen (maar we zitten droog).

Echter na enkele uren slapen word ik plots wakker gemaakt door Pieter.
Ik vrees meteen dat we betrapt zijn en dat de politie of zo aan ons tent staat.
Heel erg vreemd.
Uiteindelijk blijkt de tent wat in het water te staan en kramen we heel snel op (op zoek naar een overdekte slaapplaats).Helaas vinden we niet meteen beschutting en trekken we richting Torgny.

Alles is vrijwel nat, gelukkig is het nog vrij warm onder het afdak van de bron in Torgny. Alles hangen we daar wat open (om 2 uur ’s nachts..)
We besluiten een hele nacht te praten over vanalles en nog wat en nippen af en toe een slokje whisky…

’s ochtends kruipen we de eerste bus op richting Virton.

Tijdens een koffietje op cafe maken we plannen voor 2015 en beslis ik daar om toch nog een stukje aan mijn weekend te breien.. (later meer)

Zondag zeedag

Het najaar,

Menig vogelkijker trekt naar de Oostkust in de hoop een Siberische klepper of een Amerikaanse topper in het vizier te krijgen.
Zodoende treinde ondergetekende gisteren naar Zeebrugge-Strand (na een héél korte nacht) op zoek naar vogelpret.

Vergezeld van de zaterdagse Red-Bull-lurkende fuifganger en enkele regenbuitjes kwam ik in het ochtendgloren in een waaiend Zeebrugge aan.

Als een feromoon trekt de lust naar zangvogels me naar het verste punt in de befaamde Zeebrugse voorhaven.
Onderweg tref ik enkele tapuiten en graspiepers aan om helemaal op het verste punt een verdwaasd goudhaantje te ontmoeten dat tussen gigantische rotsblokken schuilde voor de wind. Nada dus (althans voor zangvogels dus).
Enkele rotganzentroepjes vliegen over terwijl ik tussen de blokken opzoek ga naar die ene bladkoning of gekke grasmus.

Helaas, de gehoopte fall zal voor een andere keer zijn.

In deze tijden van het jaar kan je door een mix van weersomstandigheden en trek op sommige plaatsen vreemde vogels op nog vreemdere plaatsen zien. Een mistbank, buien,een lichtbak zoals de Voorhaven.. het kan deze trekvogels allemaal naar beneden ‘trekken’.
Het leeuwendeel van deze vogeltjes zijn ook dit jaar uit ei gekropen en vertrekken op ‘automatic’ naar het zuiden, naar hun overwinteringsgebieden in tropisch Afrika.
Een oostenwindje, een storm, plotse koude,.. het kan er voor zorgen dat deze vogels van hun koers afwijken én bv. bij ons belanden.
Waar deze vogeltjes landen doet er voor hen niet toe, ze zoeken gewoon insectjes en andere ongewervelden. En ja, dat kan al eens onder een treinstel of op een container vol televisieonderdelen zijn.

Voor het mooie landschap of de prachtige kleden doe je het ook niet.
Het is ook een volledig andere manier van vogels kijken. Je kijkt in deze tijden van het jaar ook meer naar het gedrag en het kleed.

Na mijn kruistocht door de Voorhaven begin ik na een omzwerving in Heist, frieten met vol-au-vent in frituur Kastaar en een kortstondige ontmoeting met margi-britten dan maar plantjes en de aanwezig vlinders te determineren (om ten slotte in een laatste wanhoopspoging de Fonteintjes te doorsnuisteren).

Hop de trein maar op..

Volgende keer beter!

Publiek geheim

Gisteren had ik (samen met zo’n x-aantal ongeduldige grijze omaatjes en opa’s)  tijdens open monumentendag het geluk om op het militair domein Vloethemveld in Zedelgem te mogen rond te lopen en zijn voor velen onbekende natuur- en cultuurgeschiedenis te leren kennen.
Dit gebied is intussen door ANB gekocht en eigenlijk amper toegankelijk voor het publiek.

Een superboeiende gidsbeurt doorheen het domein leerde ons niet alleen de invloed van de geschiedenis op het dit domein en het dorp Zedelgem maar ook wat voor een topnatuur daar terug te vinden is.

Het eerste deel van de gidsbeurt (er waren 6 verschillende ‘postjes’, mooiverdeeld over 3 natuur & 3 cultuurhistorische) leerde ons dat er in de jaren ’40 hier een ruime 60000 krijgsgevangenen ‘gehuisvest’werden. Een doorsnee provinciestadje zeg maar, maar dan op een goeie 150 ha grond, onvoorstelbaar!
Hier en daar troffen we ook kunstwerken van de gevangenen aan, soms zeer emotionele werken die hun heimwee naar de heimat tot uiting brachten.

Tijdens de laatste stop, te midden de kleine én ronde zonnedauw, moeraswolfsklauw, geelgroene zegge en ander lekkers, kregen we een meer dan deskundige uitleg van Arnout Swaenepoel. Een wandelende cursus natuurbeheer als het ware.
En terwijl mijn kameraad en gids van dienst Bram wat verderop alweer een groep iets over de aanwezige natuur had bijgebracht kon ik er zelf stiekem even op uit voor een mini-excursie naar de populatie draadgentiaan en dwergvlas wat verder op.

Uitgedroogd, stukken wijzer en enkele topwaarnemingen rijker mocht ik me tenslotte te goed doen aan wat goddelijk gerstenat en taart op het aanwezige terras.

Topnamiddag!

Een streek meer of minder.

Of hoe het begon..

Reeds enkele maanden speel ik met het idee om mijn ‘avonturen’, trips & weekendjes, bedenkingen, ‘beelden’ – en wie wat ik nog allemaal durf posten – ergens op het wereldwijde web te vereeuwigen.

Met deze blog (wat een draak van een naam) hoop ik dan ook een deel van mijn enthousiasme over sommige zaken te kanaliseren en hoop ik ook (on)nuttige info zomaar te grabbel te gooien voor de ‘googlenaar’.

Ik ben een tripper, ik ga graag op reis én dat hoeft nu ook echt eens niet exotisch te zijn.
De tunnel onder de perrons in station van Tielt of de kerk van Belval-en-Argonne.
Je ziet toch al tijd wel iets wat je (even) bij blijft.

“All hail to de tripper in ieder van ons”.

Klaas